Taal: nl

Dit tuchtreglement is opgemaakt, besproken en goedgekeurd door de Algemene Ledenver­gadering van de Darts Organisa­tie Threant,

d.d. 27 april 2011. Eerdere versies komen hiermee te vervallen. Zaken, aanhangig gemaakt voor de bovengenoemde datum, zullen volgens het toen geldende tuchtreglement worden behandeld.

 

Nieuw Amsterdam, 27 april 2011

 

Namens het bestuur:

 

De voorzitter    

K. Magrië

 

 

De secretaris

R. Scholtens-Kindermans

 

 

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Tuchtrechtspraak

 

            De tuchtrechtspraak binnen de Darts Organisatie Threant, hierna te noemen D.O.T., ge­schiedt uit­slui­tend krachtens dit reglement.

            De leden regelen zelf hun interne geschillen, voor­ zover deze geen betrekking hebben op overtredingen als bedoeld in artikel 11.

 

Artikel 2. Wijzigingen van dit reglement

 

            De bepalingen van dit reglement worden gewijzigd door de algemene ledenverga­dering.

 

Artikel 3. Jurisdictie

 

1.         Aan de tuchtrechtspraak ingevolge dit reglement zijn onderworpen de in artikel 4 van de Statuten genoemde leden en de personen

            aanwezig bij evenementen onder auspiciën van de D.O.T..

2.         De term "lid" in dit reglement bevat de in lid 1 genoemde personen.

 

Artikel 4. Bevoegdheid.

 

1.         De bevoegdheid tot het uitoefenen van de tuchtrechtspraak is met uitsluiting van andere organen voorbe­houden aan de

            tuchtcommissie en, in beroep, de tuchtcom­missie van de NDF alsmede de commissie van beroep van de NDB als bedoeld in artikel

            16, lid 2 onder a, van de Statuten van de NDB.

2.         De bevoegdheid tot het nemen van administratieve maatregelen is met uitsluiting van andere organen voorbehou­den aan het

            bestuur van de D.O.T..

3.         De in dit artikel genoemde organen vervullen hun taak onafhankelijk van elkaar.

4.         De tuchtcommissie van de NDB kan optreden als commissie van beroep.


Hoofdstuk 2. Tuchtrechtelijke organisatie

 

Artikel 5. Commissie

 

1.         Een commissie bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter.

2.         a.         Twee leden van een tuchtcommissie worden gekozen voor de duur van vier jaar door de algemene ledenvergadering, een lid

                        van de commissie wordt gekozen voor de duur van drie jaar. Eén van drieen wordt door de alge­me­ne leden­ver­ga­de­ring in de

                        funk­tie van voorzit­ter gekozen.

            b.         Twee leden van een tuchtcommissie worden gekozen voor de duur van twee jaar.

            c.         De gekozen leden hebben zitting vanaf de dag volgende op de algemene ledenver­gadering waarin zij zijn gekozen, tot en

                       met de dag waarop de volgende algemene ledenvergadering wordt gehouden. Mochten er geen dringende redenen zijn wordt

                       de zittingsperiode voortgezet met het tweede jaar.

            d.        Wanneer ten gevolge van een tussentijds aftreden het aantal leden van een com­missie minder dan vijf bedraagt, is het

                       bestuur van de D.O.T. bevoegd, in overleg met en op verzoek van de desbetref­fende commissie één of meer leden ad

                       interim te benoemen, welke benoeming uitsluitend geldig is tot de eerstvolgende algemene ledenvergadering, waarop deze

                       benoemd kan wor­den.

 3.        Tot op de betreffende algemene ledenvergadering kan ieder lid van de D.O.T. kan­didaten voorstellen voor aftredende leden van een

            tuchtcommissie.

4.         Het lidmaatschap van de commissie eindigt:

            a.         door beëindiging van het lidmaatschap, als bedoeld in artikel 6 van de Statuten;

            b.         wanneer het lid niet wordt herkozen;

            c.         door bedanken.

5.         De behandeling van een zaak kan geschieden door minstens drie leden van de tuchtcom­missie.

 

Artikel 6. Onverenigbaarheden

 

1.         Leden van een tuchtcommissie kunnen geen deel uitmaken van het bestuur van de D.O.T..

2.         De leden van een tuchtcommissie mogen niet aanwezig zijn bij een zaak, indien zij bij de zaak betrokken zijn, hetzij persoonlijk,

            hetzij door familiebanden, hetzij als functionaris, hetzij als lid van een dartteam c.q. dartsver­eniging die bij de zaak betrokken is.

 

Artikel 7. Voorzitter

 

1.         De voorzitter van een tuchtcommissie coördineert de werkzaamheden van zijn/haar­ commissie, bepaalt en wijzigt in voorkomende

            gevallen de samen­stel­ling van de commissie gelet op artikel 6, lid 2 en bevordert waar mogelijk unifor­miteit in de uitspraken. Bij

            stakende stemmen telt de stem van de voorzitter dubbel.

2.         Aan de voorzitter komen de bevoegdheden toe, welke hem/haar krachtens dit regle­ment zijn toegekend.

3.         De tuchtcommissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan en een secretaris.

 

Artikel 8. Bevoegdheden tuchtcommissie

 

1.         De tuchtcommissie is bevoegd kennis te nemen van alle overtredingen als bedoeld in artikel 11, mits het bepaalde in lid 2 in acht

            wordt genomen.

2.         a.         De tuchtcommissie van de NDB is, met inachtneming van het bepaalde in artikel 30, bevoegd om in beroep kennis te nemen

                        van alle zaken welke in eerste aanleg door de tuchtcommissie van de D.O.T. zijn behandeld.

            b.         De tuchtcommissie van de NDB is tevens bevoegd om in beroep kennis te nemen van zaken, welke overeenkomstig het

                        bepaal in artikel 13, lid 4 niet door de tucht­commissie van de D.O.T. in behandeling zijn genomen.

 

Artikel 9. Bondskantoor

 

1.         Het bondskantoor is belast met de administratieve verwerking van strafzaken.

2.         Op verzoek van de desbetreffende commissie kan het bestuur van de DOT in overleg met de desbetreffende functionaris voorzien in

            het secretariaat van de Tuchtcommissie.


Hoofdstuk 3. Overtredingen

 

Artikel 10. Voorafgaande bepalingen

 

1.         De in dit reglement bedoelde overtredingen kunnen alleen worden bestraft ingevol­ge een op het moment waarop de overtreding is

            begaan van toepassing zijnde bepaling in de Statuten, reglementen, wedstrijdbepa­lingen, dan wel een reeds van kracht zijnd besluit

            van het bestuur van de D.O.T. krachtens welke overtre­ding van de gestelde regel strafbaar is gesteld. Dit besluit moet kenbaar zijn

            gemaakt aan de leden voordat zij daadwerkelijk in werking treedt.

2.         Indien de lid 1 bedoelde bepalingen worden gewijzigd na het tijdstip waarop het feit is begaan, worden voor de betrokkene gunstige

            bepalingen toegepast.

 

Artikel 11.        Overtredingen

 

1.         Als overtreding in de zin van dit reglement wordt beschouwd elk handelen of nalaten dat een schending oplevert van:

            a.         een bepaling in de Statuten;

            b.         een bepaling in het huishoudelijk reglement;

            c.         een bepaling in het wedstrijdreglement;

            d.         een bepaling in het toernooireglement;

            e.         een besluit van het bestuur van de D.O.T., uitvoeringsbesluiten hierbij in­begrepen;

            f.          een bepaling in het tuchtreglement.

2.         Voorts wordt als overtreding aangemerkt elk handelen of nalaten, waarbij een lid zich jegens een ander lid, vereniging, team,

            orgaan, of een commissie niet gedraagt naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd.

3.         Iedere schending van een bepaling als bedoeld in de leden 1 en 2 levert een afzon­derlijke schending op.

4.         Onder overtreding wordt mede verstaan het niet, niet tijdig of in onvoldoende mate nakomen van verplich­tingen, alsmede het

            gelegenheid bieden tot, het vergemakke­lijken van- of het behulpzaam zijn bij het plegen van een in dit artikel bedoelde

            overtreding.

 

Artikel 12. Strafbaarheid

 

1.         Voor de strafbaarheid van de in artikel 11 bedoelde overtredingen is opzet, schuld, nala­tigheid of onzorgvul­digheid van de

            betrokkene vereist.

2.         Krachtens dit reglement kunnen ook straffen worden opgelegd in het geval ter zake van dezelfde gedraging, wanneer door een

            competitieleider reeds een straf of maat­re­gel is opgelegd, alsmede in het geval wanneer door een officier van justitie tegen de be­

            trok­kene een strafvervolging is, of zal worden ingesteld, dan wel nadat na een strafver­vol­ging een straf of maatregel is opgelegd of

            de betrokkene is vrijgespro­ken.


Hoofdstuk 4. Het aanhangig maken van de zaak

 

Artikel 13. Het aanhangig maken van een zaak

 

1.         a.         Een zaak wordt aanhangig gemaakt door een bij de voorzitter van de tucht­commis­sie schriftelijk gedane aangifte.

            b.         De bedoelde aangifte wordt verzonden aan het bondskantoor van de D.O.T., dat binnen twee werkdagen na ontvangst, zorg

                        draagt voor verzending naar de voorzit­ter van de desbetreffende commissie.

2.         Ieder lid van de D.O.T., dat meent dat een ander lid van de D.O.T. een overtreding heeft begaan als bedoeld in dit reglement, kan

            daarvan schriftelijk aangifte doen bij de voor­zit­ter van de tuchtcommissie.

3.         Zaken de competitie betreffende worden eerst aanhangig gemaakt bij de competi­tieleider. Overige zaken worden in eerste aanleg

            aanhangig gemaakt bij de tucht­commissie, die de zaak zo spoedig mogelijk, doch binnen drie weken in behande­ling neemt.

4.         a.         Indien de competitieleider van oordeel is dat de aangifte onge­grond is of niet een strafbare hande­ling betreft, dan wel dat

                        de aangifte niet binnen redelijke termijn is gedaan, beslist hij/zij dat er geen verder gevolg aan zal worden gegeven.

            b.         Van deze beslissing worden onverwijld in kennis gesteld dege­ne, die de aangifte heeft gedaan en degene tegen wie zij is

                        gericht, de tucht­com­missie en voorts hen die daartoe naar het oordeel van de competi­tielei­der in aan­merking komen.

            c.         Wordt een strafbaar geacht feit niet vervolgd, dan kan de belanghebbende daarte­gen in beroep gaan bij de tuchtcommissie.

                        De tuchtcommissie beoor­deelt in dat geval alleen over de beslissing om niet te vervolgen en verwijst de zaak na gegrond

                        verklaring van het hiertegen gestelde beroep terug naar de competitieleider.

5.         a.         Indien de voorzitter van de tuchtcommissie van oordeel is dat de aangifte onge­grond is of niet een strafbare handeling

                        betreft, dan wel dat de aangifte niet binnen redelijke termijn is gedaan, beslist hij/zij dat er geen verder gevolg aan zal

                        worden gegeven.

            b.         Van deze beslissing worden onverwijld in kennis gesteld dege­ne, die de aangifte heeft gedaan en degene tegen wie zij is

                        gericht en voorts aan hen die daartoe naar het oordeel van de voorzitter van de tuchtcom­missie in aan­mer­king ko­men.

            c.         Wordt een strafbaar geacht feit niet vervolgd, dan kan de belanghebbende daarte­gen in beroep gaan bij de tuchtcommissie

                        van de NDB. De tuchtcom­mis­sie van de NDB be­oor­deelt in dat geval alleen over de beslissing om niet te ver­vol­gen en

                        verwijst de zaak na gegrond verklaring van het hiertegen gestelde beroep terug naar de tuchtcommissie van de D.O.T..

6.         De tuchtcommissie en competitieleider zijn niet bevoegd een aanhangig gemaakte zaak in behan­de­ling te nemen indien:

            a.         de beweerde overtreding niet krachtens dit reglement strafbaar is gesteld, of wan­neer;

            b.         de beweerde overtreding van het wedstrijdreglement meer dan tien dagen vóór de datum van ontvangst van het formulier of

                        van de aangifte op het bondskantoor heeft plaatsgevonden.

7.         Ingeval de voorzitter of de competitieleider meent dat de zaak niet tijdig aanhangig kan wor­den ge­maakt, bepaalt hij/zij dat de zaak

            alsnog in behandeling zal worden geno­men. Daarbij draagt hij/zij  zorg voor een schriftelijke motivering van zijn beslis­sing.

8.         a.         Indien meer zaken binnen een tijdsbestek van twee maanden tegen één betrokkene aanhangig zijn gemaakt, kan de

                        voorzitter van de tuchtcommis­sie respectievelijk de competitieleider beslissen dat de zaken tegelijk en/of gevoegd worden

                        behandeld.

            b.         Indien tegen meer personen terzake van dezelfde overtreding, zaken aan­hangig ­zijn gemaakt, beslist de voorzitter van de

                        tuchtcommissie res­pec­tie­velijk de competitie­leider of die zaken gezamenlijk of afzon­derlijk zullen worden behandeld.


Artikel 14. Het aanhangig maken van overige overtredingen

 

1.         a.         De aangifte, als bedoeld in artikel 13, geschiedt schriftelijk en dient zo nauwkeurig mogelijk te omschrij­ven welke

                        overtreding zou zijn gepleegd, alsmede door wie, waar en wanneer dit zou zijn geschied; voorts dienen de naam en het

                        adres van degene die aangifte doet en van eventuele getuigen te worden opgegeven.

            b.         De aangifte dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien dagen na de constatering of de kennis­neming van de

                        overtreding te worden ingediend.

            c.         De aangifte geldt als basis voor de tenlastelegging. De tenlastelegging wordt opge­steld door de voorzitter van de

                        tuchtcommissie, zodra hij/zij meent dat de zaak in behandeling genomen kan worden. De voorzit­ter formuleert de

                        tenlastelegging binnen de grenzen van hetgeen in de aangifte is bedoeld en/of geïmpli­ceerd.

            d.         Het doen van een kennelijk onzorgvuldige aangifte kan als overtreding worden aangemerkt.

2.         a.         Op verzoek van de voorzitter verzamelt de secretaris van de tuchtcommissie nadere gegevens, welke de voorzitter ter

                        beoordeling van de gegrondheid van de aangifte dienstig voorkomen. De voorzitter kan deze bevoegdheid geheel of

                        gedeeltelijk aan één of meer leden van de commissie overdragen.

            b.         Een lid is verplicht alle gevraagde inlichtingen, stukken en gegevens waar­over hij beschikt onver­wijld op eerste verzoek te

                        verstrekken.

3.         a.         Zodra de voorzitter meent dat de zaak in behandeling kan worden genomen, stelt hij de aangifte en bijbehorende stukken

                        terstond in handen van de andere leden van de commissie.

            b.         De voorzitter doet hiervan mededeling aan de betrokkene. Aan degene die de aangifte heeft gedaan, wordt een bevestiging

                        van de aangifte toegezon­den. De mededeling bevat:

                        1.         de overtreding, welke de betrokkene ten laste wordt gelegd, een aanduiding van tijd en plaats waarop deze zou zijn

                                    begaan, alsmede door wie de zaak aanhangig is gemaakt;

                        2.         een opgave waar en wanneer de betrokkene welke stukken kan in­zien en voorzover van belang en moge­lijk;

                        3.         een opgave van de termijn waarbinnen de betrokkene een ver­weerschrift kan indienen;

                        4.         de door de commissie op te roepen getuigen, voor zover bekend op dat tijdstip.


Hoofdstuk 5. Mondelinge behandeling van de zaak

 

Artikel 15. Mondelinge behandeling

 

1.         De mondelinge behandeling geschiedt op grond van de tenlastelegging, naar aan­leiding van de aangifte, als bedoeld in artikel 13,

            lid 1.

2.         a.         De secretaris van de commissie roept de betrokkene en andere personen op, waarvan de tuchtcom­missie de verschijning

                        wenselijk acht, zulks met in­achtneming van een termijn van tenminste tien dagen, de dag van de ver­zending en die van de

                        behandeling niet meegerekend.

            b.         Met uitzondering van de betrokkene kunnen de andere onder a. bedoelde personen in spoedeisende gevallen tot

                        vierentwintig uur voor de behandeling worden opge­roepen.

            c.         De secretaris doet aan de betrokkene telkens opgave van de plaats waar en de tijd waarop de zitting wordt gehouden en zo

                        mogelijk de namen van de leden die de zaak behandelen.

3.         De mondelinge behandeling vind achter gesloten deuren plaats, tenzij de com­mis­sie anders beslist, indien naar haar oordeel het

            belang van de D.O.T. dit vereist.

4.         Indien de betrokkene een volledige- of beperkte rechtsbevoegdheid bezittende vereniging is, dient deze zich te doen

            vertegenwoordigen door tenminste twee bestuursleden, die daartoe ingevolge haar Statuten bevoegd zijn dan wel door haar

            bevoegde bestuursleden gemachtigd zijn.

5.         Van de mondelinge behandeling wordt een schriftelijke, zakelijke samenvatting gemaakt, welke door de voorzitter en de secretaris

            van de commissie wordt onder­tekend. De betrokkene en degene die de aangifte doet ontvangen hiervan een afschrift.

6.         De leden van de commissie onthouden zich van het bespreken van zowel de zaak als van de persoon van de betrokkene met

            anderen dan de leden van de tuchtcom­missie, of met de betrokkene, behoudens tijdens de mondelinge behandeling.

 

Artikel 16. Zitting

 

1.         De voorzitter bepaalt de datum, tijdstip en plaats waarop de zitting zal worden gehouden.

2.         Na de opening van de zitting gaat de voorzitter na of de opgeroepen personen en/of degenen die een dartsvereni­ging

            vertegenwoordigen aanwezig zijn en de presentie­lijst hebben getekend.

3.         a.         Indien de betrokkene niet is verschenen, gaat de commissie na of hij/zij behoorlijk is opgeroepen. Heeft geen behoorlijke

                        oproeping plaatsgevonden of meent de commissie om een andere reden dat uitstel van de behandeling gewenst is, dan

                        stelt zij de behandeling tot een nader te bepalen datum uit, van welke datum de betrok­kene schriftelijk in kennis wordt

                        gesteld.

            b.         Indien een door de commissie belangrijk geachte getuige niet is verschenen, kan de commissie bepalen dat de

                        behandeling, geheel of gedeeltelijk zal worden uitgesteld, in welk geval de betrokke­ne opnieuw zal worden opge­roepen.

4.         Aan de betrokkene wordt mededeling gedaan van de zakelijke inhoud van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, indien hij

            daarvan niet voor de behandeling kennis heeft genomen, of heeft kunnen nemen.

 

5.         a.         Indien de commissie zulks noodzakelijk acht, kan de tenlastelegging door haar worden gewijzigd, echter binnen de grenzen

                        van hetgeen is bedoeld en/of geïmpli­ceerd in de aangifte.

            b.         De voorzitter doet de betrokkene terstond van de onder a. bedoelde wijzi­ging mededeling en deelt de betrokkene voorts

                        mede dat hij/zij om schor­sing van de behandeling kan verzoeken indien hij meent door de wijziging aanmerkelijk in zijn

                        verdediging te worden geschaad.

            c.         Indien de betrokkene om schorsing van de behandeling verzoekt, bepaalt de voor­zitter datum, uur en plaats waarop de

                       behandeling zal worden voortge­zet. De betrokkene ontvangt in dat geval binnen een week na de geschorste behandeling de

                       gewijzigde tenlastelegging.

            d.         Indien de betrokkene meent dat de behandeling na een korte schorsing kan worden voortgezet, schorst de voorzitter de

                        behandeling voor ten hoogste twintig minuten, waarna de behandeling wordt voortgezet. Indien mogelijk wordt aan de

                        betrokkene de gewijzigde tenlastelegging schriftelijk ter hand gesteld.

6.         De betrokkene wordt tijdens de mondelinge behandeling door de voorzitter, respec­tievelijk de leden van de commissie ondervraagd

            en in de gelegenheid gesteld verweer te voeren.

7.         Alvorens de behandeling wordt gesloten, wordt aan de betrokkene de gelegenheid gegeven nog tot zijn verweer dienende

            opmerkingen te maken.


Artikel 17. Toehoorders

 

1.         a.         Op verzoek van de betrokkene kan een vertegenwoordiger van zijn/haar vereni­ging/team als toe­hoorder de mondelinge

                        behandeling volgen.

            b.         De commissie kan - voorzover plaatsruimte dit toestaat - voorts aan andere perso­nen toestaan de zitting als toehoorder bij

                        te wonen, tenzij het een gesloten vergade­ring betreft als omschreven in artikel 15 lid 3.

2.         Tenzij de commissie de toehoorder een verklaring vraagt, mag hij/zij tijdens de zitting niet het woord voeren en mag hij/zij het

            vertrek waarin de zitting wordt gehouden gedurende de zitting niet zonder toestemming van de voorzitter verlaten.

3.         Indien het gedrag van de toehoorder daartoe aanleiding geeft, kan de voorzitter de toehoorder verbieden de zitting verder bij te

            wonen.

4.         Een toehoorder kan in dezelfde zaak niet als getuige optreden.

 

Artikel 18. Getuigen

 

1.         a.         De commissie is bevoegd getuigen te doen oproepen en horen.

            b.         De betrokkene heeft het recht om tot uiterlijk tien dagen voor de dag waar­op de zitting wordt gehouden, de namen en

                        adressen van drie getuigen op te geven, met het verzoek deze op te roepen. De voorzitter kan van die termijn afwijken.

            c.         Getuigen worden schriftelijk opgeroepen. Op verzoek van de com­missie geschiedt dit door het bondskan­toor.

2.         a.         Leden van de organisatie die als getuigen worden opgeroepen zijn verplicht te verschijnen.

            b.         De commissie kan ook personen die geen lid van de organisatie zijn als getuigen doen oproepen. Aan hen wordt schriftelijk

                        medegedeeld dat zij niet verplicht zijn te verschijnen, doch dat in geval van verschijning het bepaal­de in lid 4 op hen van

                        toepassing is.

3.         a.         De competitie-/toernooileider wordt in een zaak die door hem/haar aanhan­gig is gemaakt als getuige opgeroepen.

            b.         De commissie kan - al dan niet op verzoek van de betrokkene - deskundi­gen horen.

4.         a.         Een getuige is verplicht om naar waarheid te verklaren alsmede om, indien de voorzitter dit ver­langt, ter bevestiging van de

                        juistheid van zijn/haar verklaring, een schriftelijke, zakelijke samenvat­ting ervan met zijn handte­kening te bekrachtigen.

            b.         De voorzitter wijst de getuige vooraf op deze verplichting.

5.         a.         Behoudens het bepaalde in het volgende lid kunnen getuigen uitsluitend tijdens de behandeling van de zaak worden

                        gehoord.

            b.         Het verhoor geschiedt in tegenwoordigheid van de betrokkene. Hij/zij wordt in de gelegenheid gesteld aan de getuigen

                        vragen te stellen. Deze behoeven niet te worden beantwoord als naar het oordeel van de voorzitter de vragen niet ter zake

                        doende zijn.

            c.         Van hun verklaring wordt een schriftelijke, zakelijke samenvatting gemaakt.

6.         a.         Indien het voor de getuige redelijkerwijs onmogelijk is op de zitting aanwe­zig te zijn, kan hij/zij op verzoek van de voorzitter

                        een schriftelijke verkla­ring opstellen en ondertekenen, welke op de zitting wordt voorgelezen en aan de stukken wordt

                        toegevoegd.

            b.         Het bepaalde in lid 4 is van overeenkomstige toepassing.

7.         Indien de zaken niet gevoegd worden behandeld. kunnen betrokkenen in elkaars zaken als getuigen worden gehoord.


Hoofdstuk 6. Overige bepalingen met betrekking tot de behandeling van de zaak

 

Artikel 19. Verweer en (rechts-)bijstand

 

1.         a.         In geval van een overtreding is de betrokkene bevoegd schriftelijk verweer te voeren tegen hetgeen hem tenlaste is gelegd,

                        welke verklaring binnen tien dagen na de betreffende wedstrijd bij het bonds­kan­toor dient te zijn inge­komen.

            b.         De betrokkene is bevoegd schriftelijk verweer te voeren tegen hetgeen hem ten laste is gelegd, welke verklaring binnen tien

                        dagen na verzending van de medede­ling als bedoeld in artikel 14, lid 3 onder b, bij het bondskantoor dient te zijn

                        ingekomen.

            c.         Bij twijfel over het tijdig inzenden van een in dit lid bedoelde verklaring, zal de in het poststempel vermelde datum

                       beslissend zijn.

            d.         De voorzitter kan bepalen dat een in dit lid bedoelde verklaring alsnog bij de stukken zal worden gevoegd.

2.         a.         De betrokkene is bevoegd zich  bij het voeren van verweer zich te doen bij staan door:

                        1.         een ander lid van de organisatie;

                        2.         een advocaat of een juridische hulpverlener;

                        3.         alsmede in het geval van minderjarigheid van de betrokkene, door een ouder of voogd.

            b.         Aan de onder a. bedoelde raadsman komen dezelfde bevoegdheden toe als aan de betrokkene zijn toegekend.

3.         Ingeval een zaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, lid 1 onder b, is terug­ver­we­zen, biedt de tuchtcom­missie van de NDF

            de betrokkene de gelegenheid van be­doeld verslag kennis te nemen en desge­wenst binnen een door de tuchtcommissie van de NDF

            te bepalen termijn, welke niet korter mag zijn dan zeven dagen, verweer te voeren.

 

 

Artikel 20. Terugverwijzing

 

1.         a.         De tuchtcommissie van de NDB is bevoegd een zaak terug te verwijzen naar de tuchtcommissie van de D.O.T., indien zij

                        meent dat de stukken welke op de zaak betrekking hebben niet volledig zijn, alsmede wanneer bij de be­handeling in

                        beroep nieuwe feiten naar voren worden gebracht welke in eerste aanleg niet zijn onder­zocht.

            b.         De tuchtcommissie fungeert in geval van verwijzing ten behoeve van de­ tuchtcom­missie van de NDB als een commissie van

                        onderzoek. Zij doet zo spoedig mogelijk aan de tuchtcommissie van de NDB schrifte­lijk verslag van haar bevindingen, welk

                        verslag bij de stukken worden gevoegd. Het uitge­brachte verslag is niet vatbaar  voor het tussentijds instellen van be­roep.

2.         Tegelijk met haar besluit tot  verwijzing beslist de tuchtcommissie van de NDF of de vertraging van de behande­ling als gevolg van de

            verwijzing een grond oplevert om de tenuitvoerlegging van een al dan niet voorlopig opgelegde straf op te schor­ten.

 

Artikel 21. Schorsing c.q. sluiting van de behandeling.

 

1.         Indien de commissie meent - hetzij ten tijde van de mondelinge behandeling, hetzij na de sluiting daarvan - nadere gegevens nodig

            te hebben, kan zij in afwachting daarvan de behandeling schorsen, dan wel indien de behandeling als gesloten is, die heropenen,

            indien dit het voordeel is van de betrokkene.

2.         Het in lid 1 bepaalde is van overeenkomstige toepassing, indien bedoelde commis­sie een vraag met betrek­king tot de uitleg en/of

            onderlinge volgorde van bepalingen van de Statuten of Reglementen aan het bestuur van de organisatie voor advies heeft

            voorgelegd.

3.         Nadat de commissie de door haar verlangde gegevens heeft verkregen, stelt zij de betrok­kene in de gelegen­heid om hetzij

            schriftelijk, hetzij mondeling nog tot zijn verweer dienen­de opmerkingen te maken.

4.         Indien de commissie meent ter beoordeling van de zaak alle benodigde gegevens te hebben verkregen, sluit zij de behandeling.


Hoofdstuk 7. Straffen.

 

Artikel 22. Straffen

 

1.         Als straf kunnen worden opgelegd:

            a.         berisping;

            b.         geldboetes tot een maximum van ¦ 100,- voor een vereniging of team en tot een maximum van ¦ 50,- voor natuurlijke

                        personen;

            c.         uitsluiting, als bedoeld in artikel 23 voor de duur van ten hoogste vijf jaar

            d.         oplegging van strafpunten, d.w.z. ontneming van winstpunten na de betref­fende competitie, wedstrijd of toernooi, als

                        bedoeld in het wedstrijdregle­ment van de organisatie;

            e.         het tijdelijk of definitief verbod om wedstrijden te organi­seren of onder auspiciën te doen organise­ren;

            f.          het tijdelijk of definitief ontzeggen van het recht tot het uitoefenen van één of meer funkties binnen de organisatie als

                        bedoeld in artikel 24;

            g.         schorsing, als bedoeld in artikel 25, voor de duur van ten hoogste vijf jaar;

            h.         royement als lid van de organisatie, als bedoeld in artikel 26.

2.         a.         Terzake van één overtreding kunnen meer straffen worden opgelegd, met dien verstande dat een beris­ping en een

                        royement niet tezamen met een andere straf kunnen worden opgelegd, alsmede een uitslui­ting en de ontzeg­ging van het

                        recht tot uitoefening van een funktie niet tezamen met een schorsing.

            b.         In geval van bestraffing van meer overtredingen kunnen meer straffen wor­den opgelegd, echter niet tezamen met een

                        royement.

3.         a.         Met uitzondering van de in lid 1 onder a en h genoemde straffen, kunnen overige straffen geheel of gedeeltelijk

                        voorwaardelijk worden opgelegd, met dien verstande dat de hieraan bij uitspraak te verbin­den voorwaarden slechts kunnen

                        inhouden het verrichten of nalaten van bepaalde handelin­gen, als­mede het treffen van maatrege­len ter voorkoming van

                        herhaling.

            b.         Aan een voorwaardelijk opgelegde straf wordt een proeftijd verbonden van ten hoogste twee jaar behoudens verlenging als

                        bedoeld in lid 4 onder a.

4.         a.         In geval de betrokkene binnen de proeftijd in strijd handelt met de hem gestelde voorwaarde(n), wordt zulks aangemerkt

                        als een overtreding en kan de aan de betrokkene voorwaardelijk opgelegde straf worden omgezet in een onvoorwaardelij­ke

                        straf, dan wel zijn proeftijd tot ten hoogste drie jaar worden verlengd.

            b.         Indien de onder a. bedoelde overtreding naar het oordeel van de commissie van ernstiger aard is dan de overtreding

                        waarvoor eerder een geheel of gedeeltelijke voorwaardelijke straf is opgelegd, kan de commissie aan de betrokkene

                        behalve het onder a. bepaalde tevens één of meer straffen als genoemd in lid 1 opleggen. In laatst bedoeld geval dient bij

                        bepaling van de strafmaat rekening te worden gehou­den met de omzetting van de voorwaar­delijke straf in een

                        onvoorwaardelijke straf.

            c.         Indien tegelijk met de behandeling van een overtreding als bedoeld onder a. nog een andere door de betrokkene begane

                       overtreding wordt behandeld, is het bepaal­de onder b. eveneens van toepas­sing en is terzake van de nieuw te berechten

                       overtreding het bepaalde in de overige leden in dit artikel weder­om van toepassing. Bij de bepaling van de strafmaat voor

                       laatst bedoelde overtreding behoeft alsdan geen rekening te worden gehouden met de om­zetting van de voorwaardelijke in

                       een onvoorwaardelijke straf.

5.         a.        In afwachting van de behandeling van de zaak door de tuchtcommissie, kunnen in ernstige gevallen de in lid 1 onder c, e en

                       g genoemde straffen door de voorzitter van de tuchtcommissie voorlopig worden opgelegd.

            b.        Een voorlopige straf kan slechts worden opgelegd voor de duur van ten hoogste dertig dagen en kan voordien door een

                       tuchtcommissie geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.


Artikel 23. Uitsluiting

 

1.         a.         Een uitsluiting van deelname aan, of het leiden van wedstrijden kan alleen worden opgelegd naar aanleiding van een

                        overtreding van de wedstrijdre­glementen.

            b.         Een uitsluiting van deelname aan wedstrijden wordt opgelegd voor met namen in de uitspraak te noemen wedstrijden, dan

                        wel voor wedstrijden die zijn vastgesteld voor een in de uitspraak te noemen tijdsduur.

2.         Onder de in lid 1 onder b bedoelde wedstrijden worden verstaan alle on­der auspi­ciën van de dartsor­ga­ni­sa­tie geor­gani­seerde wed­

            strij­den.

3.         Indien een betrokkene die door de dartsorganisatie in de mogelijkheid is gesteld uit te komen in een vertegen­woordigend team van

            de organisatie tijdens activiteiten van dit team een overtreding begaat, kan de hem op te leggen uitsluiting van deelname aan

            activiteiten alleen betrekking hebben op de activiteiten waar­aan bedoeld team deelneemt, tenzij naar het oordeel van de commissie

            de betrokkene door zijn overtreding de belangen van de dartsorganisatie of de dartssport in het algemeen heeft geschaad.

 

Artikel 24. Ontzegging uitoefening funkties

 

1.         De straf waarbij de betrokkene tijdelijk of definitief het recht wordt ontzegd één of meer funkties uit te oefenen kan alleen worden

            opgelegd, indien de betrokkene bij de uitoefe­ning van zijn funktie een overtre­ding heeft begaan.

2.         In de uitspraak wordt bepaald voor welke duur de uitoefening van welke funktie aan de betrokkene is ontzegd.

 

Artikel 25. Schorsing

 

1.         Schorsing kan alleen worden uitgesproken wanneer de betrokkene handelt in strijd met de algemeen geldende normen en waarden

            en daarmee de belangen van de dartsorganisatie of de dartssport in het algemeen heeft geschaad.

2.         Een schorsing wordt opgelegd voor een in de uitspraak genoemde termijn.

3.         a.         Gedurende de schorsing kan de betrokkene niet aan wedstrijden  deelnemen inschreven in artikel 23 onder a en/of aan het

                        lidmaatschap verbonden rechten uitoefenen, met uitzondering van het recht om tijdig in beroep te gaan van de hem

                        opgelegde schorsing.

            b.         Tenzij anders in de uitspraak is bepaald, blijft de betrokkene gehouden om tijdens zijn schorsing de verplichtingen die uit

                        het lidmaatschap van de organisatie voort­vloeien na te komen.

            c.         Tevens kan de commissie de verenigingen/teams adviseren eenzelfde schor­sing aan te nemen.

 

Artikel 26. Royement

 

1.         a.         Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd handelt met de Statuten, Reglementen

                        of besluiten van de organisa­tie of de organisatie op onredelijke wijze benadeelt.

            b.         In afwijking van het bepaalde in artikel 30, lid 2 over a. kan de betrokkene binnen één maand na ontvangst van de

                        kennisgeving in beroep gaan bij de tuchtcommissie van de NDB.

            c.         Gedurende het beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.

2.         Het bestuur van de organisatie is verplicht om na kennisgeving van het uitgespro­ken royement de betrokke­ne met onmiddellijke

            ingang als lid van de organisatie te schorsen en na het onherroepelijk worden van het uitgesproken royement de be­trokkene met

            onmiddellijke ingang het lidmaatschap van de organisatie op te zeg­gen, en op naleving hiervan toe te zien.


Hoofdstuk 8. Beraadslaging en uitspraak

 

Artikel 27. Beraadslaging

 

1.         a.         De beraadslaging over de tenlastelegging geschiedt terstond na het sluiten van de behandeling. De beraadslaging vind niet

                        in het openbaar plaats.

            b.         De commissie beslist met meerderheid van stemmen.

2.         De commissie grondt haar uitspraak op de stukken en verklaringen waarvan de betrokke­ne heeft kunnen kennis nemen en/of

            waarvan de zakelijke inhoud hem ter zitting is medegedeeld.

3.         a.         Indien een tuchtcommissie van oordeel is dat de tenlastelegging ongegrond is, spreekt zij de betrokkene vrij.

            b.         Indien de tuchtcommissie van de NDB van oordeel is dat een uitspraak van de tuchtcommissie niet in stand kan blijven,

                        wijzigt zij deze uitspraak en bepaalt zij terzake van welke overtreding welke straf aan de betrokkene wordt opgelegd, of

                        spreekt zij de betrokkene vrij.

4.         a.         Indien de tuchtcommissie van oordeel is dat de tenlastelegging gegrond is, bepaalt zij ter zake van welke overtreding welke

                        straf wordt opgelegd.

            b.         Indien de tuchtcommissie van de NDF van  oordeel is dat de onder a. be­doelde uitspraak van de tucht­commissie in stand

                        kan blijven, bevestigt zij deze uitspraak.

5.         a.         Indien de tuchtcommissie meent dat de tenlastelegging gedeeltelijk gegrond is, bepaalt zij welke overtre­ding begaan is en

                        welke straf voor die overtre­ding wordt opgelegd en spreekt zij de betrokke­ne voor het overige vrij.

            b.         Indien de tuchtcommissie van de NDF meent dat de onder a. bedoelde uitspraak van de tuchtcom­missie gedeeltelijk in

                        stand kan blijven, bevestigt zij voor dat gedeelte de uitspraak en wijzigt voor het overige de uitspraak. In laatst bedoeld

                        geval kan de tuchtcommissie van de NDF de betrokkene ten aanzien van met name genoemde onderdelen vrijspreken of

                        een straf bepalen.

6.         Bij het bepalen van de op te leggen straffen wordt zoveel mogelijk in gelijksoortige zaken dezelfde maatsta­ven aangelegd.

7.         De commissie bepaalt te wiens laste de kosten, die aan de behandeling van de zaak zijn verbonden komen.

8.         De commissieleden dienen over hetgeen tijdens de beraadslaging is besproken geheimhou­ding te bewaren.

 

Artikel 28. Bewijs

 

1.         Het bewijs van een overtreding is geleverd indien naar het oordeel van de commis­sie, met inachtneming van het in lid 2 bepaalde,

            het overtuigend bewijs is geleverd dat de betrok­kene een overtreding, als bedoeld in artikel 11 heeft begaan.

2.         De commissie kan haar bewijs gronden op stukken, verklaringen en/of op visuele registra­tie, met dien verstande dat het bewijs niet

            kan worden gegrond op één enkel stuk, één enkele verklaring of alleen op visuele registratie.


Artikel 29. Uitspraak

 

1.         De commissie doet uiterlijk achtentwintig dagen na het sluiten van de behandeling schrif­telijke uitspraak.

2.         a.         Indien naar haar oordeel daartoe gronden aanwezig zijn is de commissie bevoegd om met inachtne­ming van het in lid 1

                        bepaalde, terstond na de beraadslaging uitspraak doen.

            b.         De onder a. bedoelde uitspraak geschiedt in het openbaar.

3.         In de uitspraak wordt vermeld:

            a.         het tenlastegelegde;

            b.         of een overtreding bewezen is geacht en zo ja, welke overtreding;

            c.         voor welke overtreding(en) een straf is opgelegd;

            d.         vanaf welke datum de straf zal worden tenuitvoergelegd;

            e.         of, en zo ja, tot welke kosten de betrokkene wordt veroordeeld; alsmede in geval van een voorwaardelijke strafoplegging:

            f.          welk deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, alsmede terzake van welke overtreding;

            g.         op welke datum de proeftijd zal zijn beëindigd; en voorts wanneer een zaak vatbaar is voor beroep:

            h.         binnen welke termijn van de uitspraak in beroep kan worden gegaan.

4.         De uitspraken van de tuchtcommissie van de D.O.T. en van de tuchtcommissie van de NDF bevatten tevens de overwegingen welke

            tot de uitspraak hebben geleid.

5.         a.         De uitspraak wordt per aangetekende brief aan de betrokkene toegezonden en - in voorkomende geval­len - aan de

                        vereniging/team waaronder hij/zij ressorteert.

            b.         De uitspraken van de tuchtcommissie van de D.O.T. en van de tuchtcom­mis­sie van de NDB worden in beknopte vorm en

                        zonder vermelding van de daar­aan ten grondslag liggende overwegingen gepubliceerd in het officiële bondsorgaan van de

                        organisatie.

            c.         Wanneer in hoger beroep na een gepubliceerde veroordeling geheel of gedeeltelijk vrijspraak volgt, vind op verzoek van de

                        betrokkene rectificatie plaats.

6.         De uitspraken van de tuchtcommissie van de NDF, alsmede van de tuchtcom­missie van de D.O.T. indien daarvan niet tijdig beroep is

            ingesteld, zijn onherroepe­lijk en voor alle leden van de organisatie bindend.


Hoofdstuk 9. Rechtsmiddelen

 

Artikel 30. Beroep

 

1.         Met inachtneming van het bepaalde in artikel 31, kan van een uitspraak van de tuchtcom­missie, waarbij de tenlaste gelegde

            overtreding geheel of gedeelte gegrond is verklaard, door de betrokkene beroep worden ingesteld bij de tuchtcommissie van de    

            NDB. Deze commissie zal dan fungeren als commissie van Beroep.

2.         Voor het instellen van beroep tegen de uitspraak van de tuchtcom­mis­sie van de D.O.T. wordt verwezen naar het tuchtreglement van

            de NDB, artikel 30.

 

Artikel 31. Herziening en gratie

 

1.         a.         Op grond van feiten en omstandigheden, welke bij de behandeling niet bekend waren of niet ter kennis van de betreffende

                        commissie zijn geko­men, kan de be­trokkene om gehele of gedeeltelijke herziening van de opge­leg­de straf verzoeken.

            b.         Om herziening kan alleen worden verzocht, wanneer tegen de opgelegde straf geen beroep meer mogelijk is.

            c.          Een verzoek om herziening moet schriftelijk met vermelding van motiva­tie bij het bonds­kan­toor wor­den ingediend en wordt

                        behandeld door de com­missie die de betref­fende straf heeft opgelegd.

2.         a.         In gevallen waarin aan de betrokkene een straf is opgelegd waartegen geen beroep meer openstaat, alsmede in gevallen

                        waarin een verzoek om herzie­ning niet van toepassing is, kan de betrokkene bij het bestuur van de orga­nisatie een verzoek

                        tot gratie indienen.

            b.         Indien tegen een opgelegde straf geen beroep meer openstaat, kan een verzoek tot gratie alleen worden ingediend

                        wanneer een straf met een lan­gere duur dan van een half jaar is opgelegd, waarvan twee/derde van de straf is ondergaan.

3.         Een verzoek tot gratie schort de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf niet op.

4.         Alvorens op verzoek tot gratie zal worden beslist, hoort het bestuur van de organi­satie de commissie die de zaak voor het laatst in

            behandeling heeft gehad.

5.         Indien gratie wordt verleend, geschiedt zulks immer op voorwaarde dat de betrok­kene gedurende de tijd welke hem kwijtgescholden

            is, zich niet zal schuldig maken aan het begaan van een soortgelijke overtreding, bij gebreke waarvan in artikel 22 lid 4 van

            toepassing is.

6.         In geval van herziening en gratie vind een publikatie plaats conform het bepaalde bij artikel 29, lid 5 sub b.


Hoofdstuk 10. Tenuitvoerlegging

 

Artikel 32. Tenuitvoerlegging

 

1.         De in dit reglement bedoelde dartsverenigingen, personen, organen, commissies, alsmede het bestuur van de organisatie zijn, ieder

            binnen de kring van hun eigen bevoegdheden, verplicht er zorg voor te dragen, dan wel er op toe te zien, dat de opgelegde straffen

            worden tenuitvoergelegd.

2.         a.         De tenuitvoerlegging van een opgelegde straf vangt daags na de uitspraak aan, tenzij in de uitspraak anders is beslist. De

                        tenuitvoerlegging van een overeenkom­stig het bepaalde in artikel 22 lid 5 voorlopig opgelegde straf wordt met onmiddel­

                        lijke ingang aangevangen, respectievelijk opgeschort, tenzij de voorzitter van de tuchtcommissie anders bepaalt.

            b.         De opschorting van de tenuitvoerlegging ingevolge het bepaalde in arti­kel 30, lid 5 geschiedt eerst na een daartoe

                        strekkende mededeling van de voorzitter van de tuchtcommissie van de NDF.

3.         De tenuitvoerlegging van een opgelegde straf, waarbij de betrokkene is uitgesloten van het deelnemen aan, of het leiden van

            wedstrijden kan door de commissie na het competitie­jaar voor het resterende gedeelte worden opge­schort tot aan de aan­vang van

            het nieuwe sei­zoen.

4.         Indien de betrokkene is uitgesloten van het deelnemen aan, of het leiden van wedstrijden, heeft de tenuit­voerleg­ging ten aanzien

            van een wedstrijd eerst plaats­gevonden:

            a.         nadat van de opgelegde wedstrijd alle onderdelen zijn afgewerkt;

            b.         indien van een wedstrijd, welke werd gestaakt, meer dan twee/derde van alle onder­delen zijn afgewerkt.

5.         Wanneer de opgelegde straf bestaat uit een geldboete geschiedt de tenuitvoerleg­ging door het penningmees­ter.


AANGIFTEFORMULIER

ten behoeve van de Tuchtcommissie van de D.O.T.

 

Aan de tuchtcommissie van de D.O.T.

p/a Bondskantoor D.O.T.

Wibautstraat 1

7844 KH Veenoord

 

 

 

Ondergetekende:

 

Naam                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Adres                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Postcode en woonplaats          :  ...................................................................................................................­..............

 

Telefoon                       :  ........................................................  (overdag)

 

                                       ........................................................ ('s avonds)

 

 

doet hierbij overeenkomstig het bepaalde in het tuchtreglement van de D.O.T.  [1] 

¨    in zijn/haar hoedanigheid als vertegenwoordigend bestuurslid van de D.O.T.

¨    in zijn/haar hoedanigheid als competitieleider;

¨    in zijn/haar hoedanigheid als toernooileider van de D.O.T.;

¨    in zijn/haar hoedanigheid als vertegenwoordigingsbevoegd bestuurslid van de bij de D.O.T. aangeslo­ten dartsvereni­ging/dartsteam;

¨als getuige;

 

aangifte van een overtreding begaan door:

 

Naam                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Adres                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Postcode en woonplaats          :  ...................................................................................................................­..............

 

Telefoon                       :  ........................................................  (overdag)

 

                                       ........................................................ ('s avonds)

 

 

 

welke overtreding is begaan op ....................................... (datum) 19.......;

 

te ................................................................................... (plaats)

 

en welke als volgt kan worden omschreven:

 

 

 

 

 

 

 

 

Het voorstaande levert een overtreding op van de artikel(en) ....................................... (artikelnummers) van de Statuten/Huishoudelijk reglement/Competitiereglement/Tuchtreglement/Toernooireglement/Besluit van algemene ledenver­gadering van de D.O.T.. [2]

 

Van de overtreding zijn getuige geweest:

 

Naam                            :  ...................................................................................................................­..............

 

Adres                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Postcode en woonplaats           :  ...................................................................................................................­..............

 

Telefoon                       :  ........................................................  (overdag)

 

                                       ........................................................ ('s avonds)

 

 

Naam                            :  ...................................................................................................................­..............

 

Adres                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Postcode en woonplaats           :  ...................................................................................................................­..............

 

Telefoon                       :  ........................................................  (overdag)

 

                                       ........................................................ ('s avonds)

 

 

Naam                            :  ...................................................................................................................­..............

 

Adres                           :  ...................................................................................................................­..............

 

Postcode en woonplaats           :  ...................................................................................................................­..............

 

Telefoon                       :  ........................................................  (overdag)

 

                                       ........................................................ ('s avonds)

 

 

In te vullen door de competitieleider:

 

¨Er hebben zich voor, tijdens of na de wedstrijd de in de nadere toelichting vermelde onregelmatig­heden voorge­daan.

¨De wedstrijd is niet doorgegaan/is gestaakt bij de stand ................. om de in mijn nadere toelich­ting vermelde redenen.

¨Op grond van mijn beslissing is de uitslag van de wedstrijd veranderd in .......................

 

Nadere toelichting van de competitieleider:

 

 

 

 

 

Aantal bijlagen: ..............

 

De ondergetekende verklaart het bovenstaande zelf en overeenkomstig de waarheid te hebben ingevuld.

(plaats)                         (datum)                                     (handtekening)



        [1] aankruisen wat van toepassing is

        [2] doorhalen wat niet van toepassing is